De stad werd vernoemd naar de
Gallische stam der Mediomatrices. Na de Romeinse verovering werd
Metz, onder de naam van Divodorum Mediomatricorum, één van de
voornaamste steden van Gallië, met meer inwoners dan Lutetia (het
latere Parijs), en rijk door zijn uitvoer van wijn. De stad werd op
7 april 451 door Attila geplunderd.
Aan het begin van de middeleeuwen was Metz de hoofdstad van het
koninkrijk Austrasië. De dynastie van de Arnulfingen, een voorloper
van de Karolingen, was afkomstig uit de stad. Metz bleef lang een
vrije stadsrepubliek binnen het Heilige Roomse Rijk. De bevolking
van deze dicht bij de taalgrens gelegen stad sprak een Frans
dialect. Metz was ook de zetel van het prinsbisdom Metz en het
aantal religieuze gebouwen in de stad nam dan ook flink toe. In de
late middeleeuwen was Metz met ruim 30.000 inwoners een van de
grootste steden van het Duitse Rijk.
In 1552 werd de koning van Frankrijk Hendrik II soeverein vorst van
de drie bisschopssteden Metz, Toul en Verdun. Metz veranderde toen
in garnizoensstad en had een belangrijke plaats in het Franse
koninkrijk.
Metz werd gedurende de Frans-Duitse Oorlog van
1870 belegerd en door het nieuwe Duitse Rijk bij de Vrede van
Frankfurt ingelijfd. Het was de hoofdstad van het Duitse
district Lotharingen van 1871 tot 1919. Na de annexatie bleef de
stad groeien, vooral ook omdat veel Duitse immigranten zich er
vestigden. Gedurende enkele decennia zou de stad een Duitstalige
meerderheid hebben. Opvallend zijn de enorme gebouwen in neoromaanse
of neogotische stijl, die in de Duitse periode werden gebouwd. Sinds
de Eerste Wereldoorlog hoort Metz weer bij Frankrijk, alhoewel de
stad tijdens de Tweede Wereldoorlog was ingelijfd bij
nazi-Duitsland. (Wikipedia)