Eerste blad    Vorig blad    Blad 36 van 37 bladen Volgend blad    Laatste blad


Generatie XXV
 
17301504
Otto II Arnoldusz van RUINEN (Otto de Runa), geboren circa 1140, overleden na 1206. Op 1 april 1169 bekrachtigd bisschop Godfried de verkoop van Selwerd door Lutgerus, dienstman van St Maarten aan het klooster te Ruinen. Als getuigen worden vermeld Otto van Ruinen, Hendrik van Cunre, Leffert van Groningen, Everhard van Almelo en Ingelbert van Ramlo.
 
Otto (II) van Ruinen was 11 april 1169 bisschoppelijk getuige en in 1181 trad hij op met Lambert van Peize, Rodolf van Groningen en Herman van Polle (= Polman). Genoemd naar Otto I, moet hij een zoon van Arnold zijn geweest. We concluderen daaruit de volgende benaderende chronologie: Otto I geboren omstreeks 1090 - 1095, Arnold geboren circa 1115 (1141 volwassen), Otto II geboren rond 1140 (1169 volwassen).

In 1181 komt Otto voor in een brief van abt Hendrik, samen met Lambert van Peize, en Roelof van Groningen, als getuigen en dienstmannen.
Zoon van Arnoldus van RUINEN (Arnoldus van Runen) (zie 34603008) en NN NN (zie 34603009).
Gehuwd met
17301505
NN NN.
Uit dit huwelijk:
Arnold II (Arnold van Runen), geboren circa 1165 te Ruinen (zie 8650752).
Otto, geboren 1168. Hij wordt vermeld in 1206-1211 als ministeriaal en getuige van de Bisschop van Utrecht.
Johan, geboren circa 1170. Vermeld 1212 als getuige van Volker van Coevorden.

Generatie XXVI
 
34603008
Arnoldus van RUINEN (Arnoldus van Runen), geboren circa 1115 te Ruinen, overleden na 1141. ARNOLD (I) van RUINEN geb. ca. 1115 vermeld. 1141, (zie Nederl. Leeuw 1981 p.277,278) "supradicti Ottonis heres et Filius" (die daarna niet meer wordt vermeld). Vermeld als zoon en erfgenaam van Otto in een oorkonde van 1141. (bron: Dorpshistorie Ruinen). Zoon van Otto van RUINEN (Otto de Runa [Otto I]) (zie 69206016) en NN NN (zie 69206017).
Gehuwd met
34603009
NN NN.
Uit dit huwelijk:
Otto II Arnoldusz (Otto de Runa), geboren circa 1140 (zie 17301504).

Generatie XXVII
 
69206016
Otto van RUINEN (Otto de Runa [Otto I]), geboren circa 1093, overleden 1141. Volgens de "dorpsgeschiedenis van Ruinen" zou Otto een zoon zijn van Arnold van Blankenheim van Gelre en van Adelheid van Zutfen.
Het wapen van Ruinen bevat drie gele rozen, dezelfde als die voorkomen in het wapen van Gelre/Zutfen. De geboortedatum van Otto van Ruinen is praktisch gelijk aan die van Otto, zoon van Adelheid. Deze Adelheid bezat erfelijke rechten op o.a. de Emsgau, via haar vader verkregen van haar grootvader Godschalk van Twenthe. (zie ndva 1897 blz 219.)
De Heren van Ruinen woonden op de havezate Oldenhof bij Ruinen.
 
Otto van Ruinen wordt in 1139 voor het eerst wordt vermeld als getuige en dienstman van bisschop Andries of Andreas. Deze begiftigde de kerk te Oldenzaal met pachten uit de kerken te Anlo, Beilen, Vries, Eelde, Norch, Roden en Roderwolde. De getuigen hiervan zijn: Hartbertus, Hoofd provoost (de latere bisschop van Utrecht), Albero, provoost van St Pieter, Adelardus provoost (van ?), Hugo, provoost van St Marie, Lutbertus, dekaan van St Martini, Arnoldus, dekaan, allen kanunniken; de vrijen Simon, Leodricus en Henricus; graaf Godfried (van Cuijck gehuwd met Jutta van Werl) en zijn broer Herman (II van Malsen), Franco van Diepenheim, Wernerus zijn broer, allen dienstmannen; Hugo van Hoonhorst, schulte Frederik (van Coevorden) Otto van Ruinen, Bartold en zijn zoon Gosewijn, Lidulphus van Oldenzaal en vele anderen.
Otto was toen al niet zo jong meer, want bij een belangrijke schenking in 1141 was medeondertekenaar zijn zoon, die toen dus volwassen was. In die akte van 1141 wordt hij Otto dienstman van St Maarten genoemd.
Op zijn verzoek schenkt bisschop Herbert de kerk van Steenwijk aan de kerk St Maria te Ruinen. Otto had die kerk van de bisschop in leen. Otto zelf schonk aan de kerk van Ruinen zijn veen tussen Ruinen en Meppel met alle tienden, twee huizen te Ruinen, het land Gislo, de tienden te Anreep, een huis te Petthe (Pesse) en een huis te Buun. Hij deed dit om de monniken die daar onder de regel van St Benedictus wilden leven, een beter bestaan te geven. In feite dus een schenking aan het gestichte klooster te Ruinen. Getuigen waren o.a. de vrije mannen Hugo, Walter, Rudolf, Godfried en Diederik. De leken Albero, Gerard, Egbert, Werenbold, Everard, Steven, Sieger, Walter en de voornoemde Otto van Ruinen. Verder Wiecher, Herman, Benso, Rodolf, Tidico, Rudericus, Benneco, Alferdus en zijn broer Leferdus, Wazo, Godschalk, Frederik van Coevorden, Arnoldus, de zoon van de bovenvermelde Otto, Anneco. Heppo en vele anderen.
 
De voorouders van Otto van Ruinen zijn tot op heden niet rechtstreeks te traceren. Ruinen, de Oldehof, was omstreeks 1100 een leengoed van de bisschop van Utrecht, die behalve de kerkelijke macht ook de wereldlijke macht bezat, verkregen op 21 mei 1040 en vermeld in een oorkonde van koning Hendrik III. Koning Hendrik III was eigenaar van alle gronden in Drenthe behalve die van de boermarken in Drenthe, de grond die de Drentse eigenerfde boeren in gebruik hadden ten tijde van Karel de Grote. Deze Karel had namelijk bepaald, na de onderwerping van de Drenten omstreeks 805, dat alle niet bebouwde en bij de boeren niet in bewerking zijnde grond van de koning was. De Drenten waren het hier uiteraard niet mee eens, maar moesten dit onder dwang aanvaarden. Karel gaf delen van zijn grond uit aan getrouwen uit zijn omgeving om dit namens hem te beheren en hij vaardigde een landgoederenbesluit uit, waarbij ridders uit zijn leger een stuk grond kregen waarop zij een landgoed moesten aanleggen, waarop vee moest worden gehouden en produkten moesten worden verbouwd ter voorziening van voedsel voor zijn hoven en zijn leger. Deze landgoederen werden voornamelijk aangelegd op strategische punten en langs hoofdroutes in zijn rijk. In oorkonden van mei 1040 worden enkele in Drenthe met name genoemd, zoals Uffelte, Wittelte, Pithlo, Eyen (Een) en Lintherunge (Lenverding of Lemferding bij Eelde). In latere oorkonden komen de namen van meer leengoederen voor waarop zich ook een versterkt huis bevindt en een kapel, zodat mag worden aangenomen dat ook die hebben behoord tot de vroegste landgoederen. Ruinen behoort daar ook toe. De ridders/leenmannen waren telgen uit adellijke geslachten uit zuidelijker streken.
Ook de voorouders van Otto van Ruinen stammen af van Westfaalse graven die destijds ten tijde van Karel de Grote de macht uitoefenden. Van de oudst bekende heren van Norch (Eyen), Eelde, Peize, Groningen, Coevorden, Steenwijk en Kuinre zijn de voorouders getraceerd. Nazaten van Otto van Ruinen zijn hiermee verwant, maar ook de voorouders van Otto zullen die verwantschap hebben, gezien de roepnamen in de familie. Vermoedelijk loopt ook deze lijn via Zutphen/Gelre naar de streken langs de Rijn.
Het wapenschild van de heer van Ruinen heeft 3 rozen, dezelfde als het wapen van Gelre.
 
Bronnen:
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 273 - 274, 1139, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH ∩s-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer, Lodolf, tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd. Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid, Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Zoon van Arnold van BLANKENHEIM van GELRE (zie 138412032) en Adelheid van TECKLENBURG van ZUTPHEN (zie 138412033).
Gehuwd (1) met NN NN (zie 69206017).
Gehuwd (2) met NN NN.
Uit het eerste huwelijk:
Arnoldus (Arnoldus van Runen), geboren circa 1115 te Ruinen (zie 34603008).
Uit het tweede huwelijk:
Otto (Otto Ottos van Runen).
Johan (Johan Ottos van Runen).
69206017
NN NN.
Uit dit huwelijk: 1 kind (zie onder 69206016).

Generatie XXVIII
 
138412032
Arnold van BLANKENHEIM van GELRE. Het is onzeker of Arnold een zoon is van Gerard en Sophia. Zoon van Gerard II (Gerard de Lange) van GELRE (Gerard van Wassenberg) (zie 276824064) en Sophia van LOOZ (zie 276824065).
Gehuwd voor 1020 met
138412033
Adelheid van TECKLENBURG van ZUTPHEN, geboren circa 1085, overleden circa 1151. Er is wat onduidelijkheid over de eerste vrouw van Otto, en daarmee over de dochter Adelheid. In Wikepedia staat Adelheid mogelijk een dochter uit het veronderstelde eerste huwelijk is (het zou ook kunnen dat met Adelheid Otto's echtgenote bedoeld wordt).
Erfgenaam van half graafschap Noord-Westfalen.
Erfgenaam van Tecklenburg.
Erfgenaam van voogdij van Münster.
Dochter van Graaf Otto II de Rijke van ZUTPHEN (zie 276824066) en Irmgard van NORTHEIM (zie 276824067).
Gehuwd (1) voor 1020 met Arnold van BLANKENHEIM van GELRE (zie 138412032).
Gehuwd (2) circa 1121 met Ekbert van TECKLENBURG, graaf van Tecklenburg (1139-1150), overleden na 1150.
Uit het eerste huwelijk:
Otto van RUINEN (Otto de Runa [Otto I]), geboren circa 1093 (zie 69206016).
Uit het tweede huwelijk:
Hendrik I, overleden circa 1156.
Gehuwd met Eilika van OLDENBURG, geboren circa 1156.
Otto.
Diederik.
Gerard.

Generatie XXIX
 
276824064
Gerard II (Gerard de Lange) van GELRE (Gerard van Wassenberg), graaf in Zuid-Hamaland (1085), graaf van Wasserberg (1085-1087), graaf van Gelre (1096-1129), geboren circa 1055 te Wassenberg, Duitsland, overleden op 16‑10‑1129 te Zutphen. Het is onzeker of Arnold van Blankenheim een zoon is van Gerard en Sophia. Zoon van Gerard I van TEISTERBAND (Gerard I Flamens) (zie 553648128) en NN van GELRE (zie 553648129).
Gehuwd (1) met Sophia van LOOZ (zie 276824065).
Gehuwd (2) met Clementia van GLEIBERG (van Aquataine Poitou-Gleiberg), gravin van Gelre, van Gleiberg en van Poitou, geboren circa 1050 te Poitier, Frankrijk, overleden 1136‑1142 te Wassenberg, Duitsland.
Uit het eerste huwelijk:
276824065
Sophia van LOOZ, geboren 1065‑1070, overleden na 2‑1090, dochter van Giselbert II van LOOZ (zie 553648130) en Liutgard (zie 553648131).
Uit dit huwelijk: 1 kind (zie onder 276824064).

276824066
Graaf Otto II de Rijke van ZUTPHEN, Graaf van Zutphen (1101-1107), graaf van Corvey (1063-1113), graaf van Noord-Westfalen (1092-1113). Geboren 1045‑1050. Er is kennelijk enige onduidelijkheid over de geboortedatum, diverse bronnen geven diverse data. Overleden op 16‑04‑1113 te Zutphen, begraven te Kerkhof 3, Zutphen. In de Walgurgiuskerk. Uit "De Graafschap in de Middeleeuwen":
Otto II ? wordt vermoedelijk tussen 1040 en 1050 geboren als zoon van Godschalk (II) ? en Adelheid ?, dochter van Liudolf ? en Mathilde ?. In 1063 volgt Otto II zijn vader op als heer van Zutphen.
In 1068/70 komt Otto II als getuige voor in een oorkonde van de kerk van Osnabruck als zoon van de prefect Godschalk (II). Otto II is volgens Van Winter twee keer getrouwd. De eerste keer met een onbekende vrouw ? en de tweede keer volgens Verdonk met Jutta (of Judith) ?, een van de zeven dochters van Lodewijk I van Arnstein ?, hetgeen bestreden wordt door Oostebrink.
Uit het eerste huwelijk stamt Adelheid ?, zij erft de rechten in Agradingouw en Emsgouw en de voogdij van Munster, of krijgt deze als huwelijksgeschenk mee. Zij trouwt waarschijnlijk ook twee keer. Eerst met een onbekende man ? en vervolgens met Ekbert van Saarbrücken ?. Ekbert is een zoon van graaf Hendrik van Saarbrücken ? en Gisela van Hessengouw ?. Samen met Ekbert sticht zij het grafelijke huis Tecklenburg. Opvallend in dit verband is dat de graven van Tecklenburg in latere jaren altijd beweren van een prefect Godschalk af te stammen.
Uit het tweede huwelijk van Otto II stammen drie zonen: Gerhard (I) ?, Hendrik (I) 'de Oude' ? en Diederik (II) ?, bisschop van Munster en een dochter: Ermgard ?. Gerhard I wordt de stamvader van het huis Lohn en Hendrik (I) zet de Zutphense traditie voort.
Zutphen als middelpunt?
In 1092/5 weet hij zijn vader te wreken door de graaf van Werl alsnog zijn Friese graafschappen af te nemen ten gunste van bisdom Bremen. In 1093 staat hij Gumbert ?, abt van Abdinghof, bij door hem een enorme geldlening te verschaffen. In contemporaine bronnen wordt Otto II niet voor niets 'locupletissimus', oftewel de 'Rijke' genoemd.
Deze bijnaam zal hij niet hebben vanwege het bezit van Zutphen, want dat is rond 1100 geen bezitting van formaat. De bijnaam kan eventueel te danken hebben aan zijn ondervoogdijschap van de abdij van Corvey in het noordwesten van Westfalen, in Haselünne en rond Meppen. De oppervoogd van dit gebied is zijn naamgenoot graaf Otto I van Northeim ?.
De voogdij over een klooster houdt in dat de voogd in vredestijd de recht spreekt over de bevolking uit het grondgebied van het klooster en in het onoverkomelijke geval van een oorlog de weerbare mannen uit het gebied ronselt om deze in de strijd aan te voeren. De voogdij is een lucratief ambt, omdat het spreken van recht inkomsten voor de voogd genereert. Daarnaast is het militaire aanzien meegenomen. Hoe meer mannen de voogd of graaf in de strijd kan aanvoeren, hoe machtiger hij is.
Otto II heeft ook bezittingen rondom Paderborn en Osnabruck. Hij wordt vermeld in de necrologieën van het klooster Borghorst en dat van Abdinghof. Van Winter vermoedt dat deze bezittingen afkomstig zijn uit de huwelijksschat van zijn echtgenote, maar de aanname op deze site dat Otto II's grootvader Herman van Ename ? getrouwd is met Imma van Hasegouw ?, maakt aannemelijker dat deze bezittingen uit deze tak van de familie stammen.
Het is dus vreemd dat Otto II zich naar Zutphen noemt. Deze plaats ligt immers aan de rand van zijn gebied. Waarschijnlijk hebben de heren van Zutphen ook veel bezittingen aan de andere kant van de IJssel en is Zutphen hun belangrijkste steunpunt. Misschien speelt het (vermeende) eigendom van Zutphen ook een rol. Pas in 1101 komt Otto II voor als graaf van Zutphen.
Wie is de voogd?
Er ontstaan problemen rond de voogdij van de Sint-Walburgiskerk in Zutphen, wanneer Otto II zijn (vermoedelijke) schoonzoon Constantinus (I) van Melegarde aanstelt als ondervoogd. Hij is afkomstig van het goed Malgarten bij Osnabruck. Deze Constantinus I is de stamvader van het huis Bergh ('s-Heerenberg), maar vooral bekend als de veroorzaker van een reeks vervalste oorkondes waarin de rechtmatige opvolgers van Otto II hun rechten op de voogdij van Sint-Walburgis proberen zeker te stellen.
Constantinus I schijnt zijn bevoegdheden als ondervoogd nogal opgerekt te hebben ten nadele van de rechtmatige voogden. Problematisch rond deze oorkondes zijn de jaartallen waarin de genoemden optreden. Voorlopig staat vast dat Otto II Constantinus I als ondervoogd heeft aangesteld met beperkte bevoegdheden. Problemen ontstaan wanneer Constantinus I op zijn beurt zijn ondervoogdij in leen geeft aan een zekere Udo, alsof het om zijn eigen bezit gaat. Jackman identificeert deze Udo als Udo I van Hennef, een kleinzoon van Godschalk (I).
 
Bouw van de St. Walburgskerk
Otto II laat in 1105 de Sint-Walburgskerk in Zutphen, die door een brand is verwoest, herbouwen. Hij brengt vervolgens de relieken van de heilige Justus uit Corvey naar Zutphen. Bisschop Burchard van Utrecht wijdt de kerk met een plechtige ceremonie in. Als getuigen zijn hierbij de belangrijkste edelen (leenmannen van de heer van Zutphen?) aanwezig: Ulrico van Amsen (Ampsen), Bernard van Dipenhem (Diepenheim), Gerlaco van Dedingwerthe (bij Lochem), Hartberto van Mocherte, de broers Wolpharto en Eremberto de Ettenon (Etten bij Varsseveld?), Meinrico van Reinre, Wensone van Vrollehorst (Velhorst), Gerboldo van Winburg, Mensone van Thrile, Ulboldo van Wiken (Winterswijk?) en Lubbert en Gozelo van Berenchem (Barchem of Bennekom?). Allen bevestigen met hun aanwezigheid de voorrechten van de herbouwde kerk.
In 1113 overlijdt Otto II en hij wordt begraven in zijn eigen St. Walburgskerk. In 1118 wordt zijn echtgenote Judith na haar dood in het graf bijgeplaatst.
Tot in de negentiende eeuw is de plaats van hun graf door overlevering nog bekend. Helaas is deze kennis verloren gegaan. De (vermoedelijk) oudste zoon Gerhard I erft het Westfaalse deel van de familiebezittingen en wordt de stamvader van het Lohnse gravenhuis. Jongere zoon Hendrik (I) 'de Oude' erft het Zutphense deel, maar overlijdt zonder nageslacht na te laten. Opnieuw vererft Zutphen dan via een vrouw: Ermgard.
Zoon van Godschalk II van TWENTE (Gottschalk van Nifterlake, van Verdun) graaf van Zutphen (zie 553648132) en Adelheid van ZUTPHEN (zie 553648133).
Gehuwd (1) voor 1080 met Irmgard van NORTHEIM (zie 276824067).
Gehuwd (2) 1080‑1095 met Judith von ARNSTEIN (Jutta, Judith Supplingburg?), geboren 1060‑1070, overleden circa 1120.
Uit het eerste huwelijk:
Hendrik I, graaf van Zutphen, geboren circa 1065, overleden circa 1118.
Diederik II, bisschop van Munster, geboren circa 1070, overleden 1127.
Uit het tweede huwelijk:
Hendrik I (Hendrik de oudere), geboren circa 1085, overleden 1118. Uit Wikipedia:
Hendrik I was een zoon van graaf Otto II van Zutphen uit diens tweede huwelijk met Judith van Arnstein, dochter van graaf Lodewijk van Arnstein. Hij was gehuwd met Mathilde (overleden rond 1117), dochter van Koenraad van Northeim, graaf van Beichlingen.
In 1113 volgde hij zijn vader op als graaf van Zutphen en als ondervoogd van de Abdij van Corvey. Hendrik I werd geregeld in keizerlijke documenten vermeld en kreeg van keizer Hendrik V enkele Friese graafschappen toegewezen, die hij al snel weer verloor.
In 1114 kwam Frederik I van Schwarzenburg, de aartsbisschop van Keulen, in opstand tegen Hendrik V. Onder andere Hendrik I van Zutphen sloot zich aan bij de aartsbisschop en de opstandelingen vielen onder andere het graafschap Gelre aan. In 1117 werd er vrede gesloten en daarna huwelijkte Hendrik zijn zus Ermgard uit aan graaf Gerard II van Gelre.
Hendrik I stierf in 1118, na ongeveer vijf jaar over Zutphen te hebben geregeerd. Aangezien hij geen kinderen had, werden zijn domeinen geërfd door zijn zus Ermgard.
 
Uit "De Graafschap in de Middeleeuwen":
Ironisch genoeg wordt Hendrik (I)'de Oudere' genoemd, maar hij overleeft zijn vader niet lang. Hij krijgt de bijnaam 'de Oudere' om onderscheid te maken met zijn naamgenoot in de volgende generatie, Hendrik (II) 'de Jongere'.
Hendrik (I) 'de Oudere' treedt geregeld als getuige of partij op aan het keizerlijke hof. Waarschijnlijk wordt hij door deze goede connecties graaf van Zutphen. Hij is getrouwd met Mathilde, een dochter van Koenraad (Cuno) van Northeim, graaf van Beichlingen, en Kunigunde van Beichlingen.
 
Hendrik (I) wordt door keizer Hendrik V beleend met enkele Friese graafschappen, maar veel indruk zal dat op de Friezen niet gemaakt hebben en lang heeft hij er ook niet van kunnen genieten. Net als zijn vader treedt Hendrik (I) ook op als ondervoogd van Corvey.
 
In 1114 komt de aartsbisschop van Keulen, Frederik I, in opstand tegen de keizer. Hierbij wordt hij gesteund door enkele groten uit zijn aartsbisdom, waaronder Hendrik (I). De opstandelingen vallen onder andere het Gelderse gebied aan. In 1117 is er al vrede gesloten, want in die tijd trouwt Ermgard, de zus van Hendrik (I), met Gerard III van Gelre.
Slechts vijf jaar is het Hendrik (I) vergunt graaf van Zutphen te zijn voordat hij in 1118 kinderloos overlijdt. Hij wordt opgevolgd door zijn zuster Ermgard.

Gerardus de LOHN (Gerard I van Lohn) Graaf van Lohn, geboren circa 1085, overleden circa 1092. Gerardus de Lohn was graaf tevens grondlegger van het graafschap Lohn van 1085 tot zijn dood in 1092. Hij was een zoon van Otto II van Zutphen. en getrouwd met Irmgard. Zij schonk Gerardus ten minste een zoon Godschalk I tevens opvolger. Hij erft het graafschap van zijn oom Rupert of Humbert uit de erfenis van Godschalk van Zutphen hij is daarmee de stamvader van het graafschap Lohn.
Uit het eerste huwelijk:
Adelheid van TECKLENBURG van ZUTPHEN, geboren circa 1085 (zie 138412033).
Uit het tweede huwelijk:
Diederik II (bisschop) van MÜNSTER, geboren circa 1087, overleden op 28‑02‑1127.
Ermgard, geboren circa 1090, overleden circa 1136. Tussen 1115 en 1117 huwde ze met graaf Gerard II van Gelre (overleden in 1131). Ze kregen drie kinderen:
Hendrik I (overleden in 1182), graaf van Gelre en Zutphen
Adelheid, huwde met graaf Ekbert van Tecklenburg
Salomea (overleden in 1167), huwde met graaf Hendrik I van Wildeshausen
Na de dood van Gerard II hertrouwde Ermgard in 1134 met graaf Koenraad II van Luxemburg (overleden in 1136). Dit huwelijk bleef kinderloos.
Na het kinderloze overlijden van haar broer Hendrik I werd Ermgard in 1118 gravin van Zutphen, dat ze bestuurde tot aan haar dood in 1138. Ze trad zelf op als gravin, maar op formele momenten traden haar echtgenoten op de voorgrond. Ze werd opgevolgd door haar zoon Hendrik I.

276824067
Irmgard van NORTHEIM, geboren 1043, overleden circa 1084.
Uit dit huwelijk: 3 kinderen (zie onder 276824066).

Generatie XXX
 
553648128
Gerard I van TEISTERBAND (Gerard I Flamens), graaf van Teisterband (1052-1053), graaf van Hettergouw (1067), geboren voor 1018, overleden 1057‑1078, zoon van Gerard FLAMRNS (zie 1107296256) en Bava van VELUWE (zie 1107296257).
Gehuwd met
553648129
NN van GELRE.
Uit dit huwelijk:
Gerard II (Gerard de Lange) van GELRE (Gerard van Wassenberg), geboren circa 1055 te Wassenberg, Duitsland (zie 276824064).
Hendrik I van KRIEKENBEEK, geboren 1060, overleden 1112 te Andernach.
Alveradis van GELRE, geboren 1060, overleden voor 1131.

553648130
Giselbert II van LOOZ.
Gehuwd met
553648131
Liutgard.
Uit dit huwelijk:
Sophia, geboren 1065‑1070 (zie 276824065).

553648132
Godschalk II van TWENTE

Godschalk II van TWENTE

Godschalk II van TWENTE (Gottschalk van Nifterlake, van Verdun) graaf van Zutphen, geboren circa 1020 te Zutphen. Geboren tussen 1016 en 1025. Overleden op 16‑12‑1063 te Duitsland. Hij is gesneuveld op het slagveld in Noordwestfalen. Hij had diverse titels en functies: graaf van Twente, graaf van Zutphen, voogd van de stad Münster, van Borghorst, de abdij van het bisdom Utrecht.
Als graaf van Twente was hij ook voogd en banierdrager (legeraanvoerder) van het bisdom Utrecht. Godschalk sneuvelde in Friesland, in het leger van bisschop Adalbert van Bremen.
In een oorkonde van 1059 wordt Godschalk domini Sutphaniensis oppidi ("heer van de stad Zutphen") genoemd, en daarom geldt hij als stamvader van een gravengeslacht dat slechts drie echte graven telt. De authenticiteit van de oorkonde wordt overigens in twijfel getrokken.
Zoon van Herman van NIFTERLAKE (Herman van Ename) (zie 1107296264) en Imma van HASEGOUW (zie 1107296265).
Gehuwd voor 1040 met
553648133
Adelheid van ZUTPHEN, geboren circa 1020 te Zutphen, overleden na 1059. Erfgenaam van Zutphen en erfgenaam voogdij Borghorst. Dochter van Liudolf van ZUTPHEN (van Paltz-Lotharingen, van Brauweiler) (zie 1107296266) en Mathilde van ZUTPHEN (Mechtild) (zie 1107296267).
Uit dit huwelijk:
Gevehard (Gerard I van Loen), Graaf van Twente, geboren na 1040, overleden circa 1060.
Humbert van ZUTPHEN (Gumbert), monnik, abt van Paderborn, geboren circa 1048. Hij was monnik in de abdij van Corvey en daarna in het Abdinghofkloster in Paderborn.
Het is niet helemaal zeker of Humbert een zoon is van Godschalk van Zutphen.

Graaf Otto II de Rijke van ZUTPHEN, geboren 1045‑1050 (zie 276824066).
Godschalk II van GENNEP (Heer van Gennep).
Herbert van MILLEN (Heribert van Millen).

Generatie XXXI
 
1107296256
Gerard FLAMRNS, geboren circa 983, overleden voor 1018.
Gehuwd 1010 met
1107296257
Bava van VELUWE.
Uit dit huwelijk:
Gerard I van TEISTERBAND (Gerard I Flamens), geboren voor 1018 (zie 553648128).

1107296264
Herman van NIFTERLAKE (Herman van Ename), geboren circa 668, overleden op 28‑05‑1029 te Verdun.
Gehuwd met
1107296265
Imma van HASEGOUW, geboren circa 967, overleden voor 1025, dochter van Godschalk I van HASEGOUW (zie 2214592530) en NN NN (zie 2214592531).
Uit dit huwelijk:
Herman I van MÜNSTER, geboren 1010, overleden op 22‑07‑1042.

1107296266
Liudolf van ZUTPHEN

Liudolf van ZUTPHEN

Liudolf van ZUTPHEN (van Paltz-Lotharingen, van Brauweiler), Graaf van Bonn, heer van Zutphen(1025-1031), geboren 992‑995, overleden op 10‑04‑1031. Hij werd ook Ludolf van Waldenberg of Liudolf het kind genoemd.
Door zijn afkomst was Liudolf een belangrijke figuur in de Duitse politiek. Door zijn vader was hij een van de rijkste edelen van Lotharingen en door zijn moeder was hij de nauwste mannelijke bloedverwant van keizer Otto III. Na de dood van Otto in 1002 was Liudolf een van de belangrijkste kandidaten voor het koningschap maar in zijn plaats werd de politiek bedreven Hendrik II gekozen. Liudolf was toen twee jaar oud, en kreeg daardoor zijn bijnaam "het Kind". Na het overlijden van Hendrik in 1024 probeerde Liudolf opnieuw om koning te worden maar nu werd hij afgetroefd door Koenraad II de Saliër.
 
Liudolf was gehuwd met Mathilde of Mechtild, dochter van Otto I van Zutphen. Liudolf was graaf van Bonn en Zutphen, heer van Alzey en Waldberg, voogd van de door zijn vader gestichte abdij van Brauweiler (huisabdij van de Ezzonen) en legeraanvoerder van de aartsbisschop van Keulen. Hij werd begraven in de abdij van Brauweiler.
 
Zijn kinderen waren:
Koenraad I van Beieren (-1055)
Hendrik I van Zutphen (1017-1033?)
Adelheid, gehuwd met Godschalk van Zutphen, erfgename van Zutphen.
Irmgard of Irmentrud van Zutphen (1023-1083/93)
Mathilde van Ehrenbreitstein
 
Uit www.graafschap-middeleeuwen.nl:
Liudolf is geen lang leven gegeven. Hij zal nooit in zijn vaders voetsporen treden als paltsgraaf aan de Rijn. Op 10 april 1031 sterft hij drie jaar voor zijn vader.
Bij Liudolfs dood is zijn oudste zoon Hendrik (I) minderjarig, want hij is op zijn hoogst elf jaar, wanneer aangenomen wordt dat hij in het huwelijksjaar van zijn ouders is geboren. Hendrik (I) beschikt over meerdere beschermheren, want zowel beide opa's en broers van zijn vader en moeder zijn in leven. Hij hoeft niet voor zijn bezittingen te vrezen. De meerderjarig leeftijd haalt Hendrik (I) waarschijnlijk net niet, want ook hij zal jong overlijden tussen 1031 en 1033. Zijn enige broer Koenraad moet de bloedlijn voortzetten. Hij is in 1033 uiteraard ook minderjarig.
Het paltsgrafelijke ambt vererft aan Liudolfs broer Otto (II) ?, die dit ambt tot 1045 zal uitoefenen. In dat jaar wordt hij hertog van Schwaben en staat hij zijn paltsgrafelijke ambt af aan zijn neef Hendrik (I) ?, bijgenaamd 'de Razende'. Hendrik (I) 'de Razende' is een zoon van Hendrik van Zülpichgouw ? (ook Hezilo of Hezelin genoemd), een tak der Ezzonen die beter bekend staat als de Hezeliniden. Een tak die de tegenkoning Herman I van Salm ? zal voortbrengen. Het paltsgrafelijke ambt van Lotharingen komt zo steeds verder van haar oorsprong te liggen en wordt uiteindelijk een ambt zonder ambtsgebied.
Wat gebeurt er met Zutphen?
Evenals zijn schoonvader zal ook Liudolf zich weinig in Zutphen hebben laten zien. Er zijn geen handelingen van hem in Zutphen en of omstreken bekend.
Hoe Zutphen precies vererft na zijn vroege dood is niet geheel duidelijk. Mogelijk is Zutphen van meet af aan als huwelijksgeschenk voor Adelheid bestemd, net zoals dat voor haar moeder het geval is geweest en hebben haar voogden het voor haar beheerd. Daarnaast kan niet uitgesloten worden dat Koenraad tot zijn dood heer van Zutphen is.
Zoon van Ehrenfried III (Ezzo) van PALTS‑LOTHARINGEN (Ezzo van Bliesgau Deutz) (zie 2214592532) en Mathilde van SAKSEN (zie 2214592533).
Gehuwd 1020 met
1107296267
Mathilde van ZUTPHEN (Mechtild), gravin van Zutphen, geboren 1005‑1015, overleden 1031, dochter van Otto I van HAMMERSTEIN (Otto I van Zutphen) (zie 2214592534) en Irmingard VERDUN (zie 2214592535).
Uit dit huwelijk:
Adelheid, geboren circa 1020 te Zutphen (zie 553648133).
Hendrik I, geboren circa 1020, overleden circa 1032.
Irmintrud (Irmgard van Zutphen), geboren circa 1023. Overleden tussen 1083 en 1093.
Gehuwd met Rupert I van OPPER‑LAHNGOUW.
Koenraad I van BEIEREN, geboren circa 1023, overleden 1055. Voogd van Brauweiler.
Gehuwd met Judith van SCHWEINFURT.
Mathilde van EHRENBREITSTEIN.
Gehuwd met Bruno van HEIMBACH.

Generatie XXXII
 
2214592530
Godschalk I van HASEGOUW, zoon van Liudolf van HASEGOUW (zie 4429185060) en Altburg van GRAINGOUW (zie 4429185061).
Gehuwd met
2214592531
NN NN.
Uit dit huwelijk:
Imma, geboren circa 967 (zie 1107296265).

2214592532
Ehrenfried III van PALTS-LOTHARINGEN

Ehrenfried III van PALTS-LOTHARINGEN

Ehrenfried III (Ezzo) van PALTS‑LOTHARINGEN (Ezzo van Bliesgau Deutz), Paltsgraaf van Lotharingen vanaf 1015, geboren 953‑965, overleden op 21‑05‑1034 te Saalfeld, Duitsland. Ezzo was de zoon van de Lotharinger Paltsgraaf Herman I (gestorven 996) en zijn vrouw Heylwig van Dillingen. Hij werd als een kind opgeleid door bisschop Ulrich van Augsburg (episcopaat 923-973), een familielid van zijn moeder. Er is niets bekend over zijn jeugd.
Hij trouwde met Matilda van Duitsland (overleden 1025), een dochter van keizer Otto II en zijn gemalin Theophanu. Zo werd Ezzo een prominent figuur tijdens het bewind van zijn zwager, Keizer Otto III.
Het huwelijk kreeg de uitdrukkelijke toestemming van Keizerin Theophanu.
 
Bij de dood van zijn vader in 996, werd het rijke allodiale eigendom van Herman verdeeld tussen zijn zonen. Ezzo verkreeg land in Cochem aan de Moezel, in Maifeld, de Flamersheimer Wald en landgoederen rondom kasteel Tomburg Kasteel in de buurt van Rheinbach, evenals de helft van het vruchtgebruik van Villewaldin. Rond dezelfde tijd, moet hij de Pfalz en de vorige grafelijke rechten hebben ontvangen, hij wordt als graaf genoemd in Auelgau in 1015 en als paltsgraaf in de Bonngau in 1020. Hij ontving ook het graafschap Ruhrgau met voogdij van Essen Abbey .
 
Zijn poging om de keizerlijke troon over te nemen na de dood van keizer Otto III in 1002 mislukte. Zijn relatie met de nieuwe Ottoonse koning, Hendrik II, werd dan ook zeer gespannen. Hendri betwiste Ezzo's eigendom van de gebieden, die zijn vrouw erfde van wijlen Otto III. Het conflict sleepte duurde jaren en bereikte zijn hoogtepunt in 1011. uiteindelijk kwam het tot een verzoening tussen Hendrik en Ezzo, de rechten van de erfenis werden erkend en Hendrik gaf hem het koninklijk grondgebied van Kaiserswerth, Duisburg evenals Saalfeld in Thüringen. Hendrik bemiddelde het huwelijk van Ezzo's dochter Richeza met de erfgenaam van de Poolse troon Mieszko II Lambert .
 
Door de territoriale concessies die Ezzo gedaan kreeg werd hij een van de machtigste prinsen in het Rijk. Ezzo's groeiende macht en de toegenomen prestige van zijn huis kwamen tot uiting in de oprichting van de Brauweiler Abdij, de plaats waar zijn huwelijk werd gevierd en waarvan de bouw werd begonnen na een reis naar Rome van het paar in 1024. Het benedictijner klooster, dat in 1028 door aartsbisschop Pilgrim van Keulen werd ingewijd, was het spirituele centrum van de Ezzonid dynastie. Het eerste lid van de familie dat daar is begraven was er Ezzo's vrouw Matilda, die op 4 november 1025 overleed.
 
Er is zeer weinig bekend over het latere leven Ezzo, hij stierf op hoge leeftijd in Saalfeld op 21 maart 1034 en werd begraven in Brauweiler.
 
Ezzo is behoorlijk indrukwekkende persoonlijkheid, zelfs als de rapportage over zijn leven en handelen, beschreven door de auteur van "Fundatio Monasterii Brunwilarensis", als overdreven wordt beschouwd. Hij was vooral actief in politieke zaken als het ging om zijn eigen belangen en de status van zijn huis. Zijn handig beheer van de gunsten van keizerin Theophano, Keizer Otto III en later Hendrik II, getuigen van zijn persoonlijke ambitie en politieke behendigheid.
 
Ezzo en Mathilda kregen drie zonen en zeven dochters. De eerste twee zonen, Liudolf en Otto, waren gericht op het bestendigen de dynastie terwijl de derde, Hermann, het een geestelijke loopbaan verkoos. Van de zeven dochters was alleen Richeza getrouwd, de anderen gingen in kloosters, daar werden ze allemaal abdis.
Na de dood van zijn vrouw, kreeg Ezzo nog een zoon genaamd Henry (Hendrik) (1055-1093), later abt van Gorze, met een concubine, en nog twee onwettige kinderen, Wasela en Ezzo.
Het is opmerkelijk dat 8 kinderen van Ezzo abt of abdis werden, en dat bijna allemaal van oude en rijke kloosters die traditioneel sterke banden hadden met de Frankische en Duitse koningen. Dit onderstreept nog een keer de bijzondere machtspositie van Ezzo.
Zoon van Hermann Pusillus van BLIESGAU (zie 4429185064) en Hedwig van DILLINGEN (Heylwig) (zie 4429185065).
Gehuwd (1) circa 0991 met Mathilde van SAKSEN (zie 2214592533).
Samenwonend (2) na 1025 met Concubine en/of een andere vrouw NN.
Uit de eerste relatie:
Herman NN (Herman II), aartsbisschop van Keulen, geboren circa 0995, overleden op 11‑02‑1956.
Richeza van LOTHARINGEN, koningin van Polen, geboren circa 1000, overleden op 21‑03‑1063 te Saale, Duitsland.
Gehuwd circa 1013 met Mieczyslaw II van POLEN (Mieszko II Lambert, de vadsige), koning van Polen, geboren circa 0990, overleden op 10‑05‑1034, zoon van Boleslaw I van POLEN (De Dappere), koning van Polen, en Emilda SLOWIANSKA.
Otto II van ZWABEN (Otto van Lotharingen), Paltsgraaf Otto I aan de Rijn, van Lotharingen, Hertog Otto II van Swaben, geboren circa 1000, overleden op 07‑09‑1047 te Keulen, Duitsland. Gesneuveld bij Tomberg, bij Keulen.
Gehuwd met NN van NOORDGOUW, dochter van Hugo IV van NOORDGOUW en Heilwig van DAGSBURG.
Theophanu NN, absis van Essen en Gerresheim, geboren voor 1026, overleden 1058.
Adelheid NN, absis van Nivelles (Nijvel), geboren voor 1026, overleden circa 1030.
Mathilde NN, absis van Diekirchen en Villich, geboren voor 1026.
Sophie NN, absis van St. Maria in Mainz, geboren voor 1026.
Ida NN, absis van Keulen, geboren voor 1026, overleden 1060. Zij werd absis van Keulen en van de door haar voorvader Ludolf van Saksen opgerichte abdij in Gaudersheim.
Uit de tweede relatie:
Hendrik van BLIESGAU DEUTZ, abt van Gorze, overleden op 01‑05‑1093.
Wazela van LOTHARINGEN.
Ezzo van LOTHARINGEN, abt van Saalfeld, overleden voor 1075.
2214592533
Mathilde van SAKSEN

Mathilde van SAKSEN

Mathilde van SAKSEN, geboren circa 0979, overleden op 04‑11‑1025 te Düren, Duitsland. Zij werd opgevoed in het Sticht Essen, waar haar gelijknamige tante abdis was. Ze huwde met paltsgraaf Ezzo van Lotharingen en werd moeder van tien kinderen, waaronder Richeza, koningin van Polen. Dochter van Otto II van SAKSEN (Otto de Rode) (zie 4429185066) en Theophano van BYZANTIUM (zie 4429185067).
Uit dit huwelijk: 9 kinderen (zie onder 2214592532).

2214592534
Otto I van HAMMERSTEIN (Otto I van Zutphen), Heer van Zutohen, geboren circa 975, overleden circa 1035, zoon van Heribert KINZIGGOUW (zie 4429185068) en Irmentrud van GELRE (Ermentrude van Avengau) (zie 4429185069).
Gehuwd met
2214592535
Irmingard VERDUN, Gravin van Hammerstein, geboren circa 975, overleden op 10‑03‑1036.
Uit dit huwelijk:
Mathilde van ZUTPHEN (Mechtild), geboren 1005‑1015 (zie 1107296267).
Udo HAMMERSTEIN, overleden 1034.
NN.
Gehuwd met Wigger I van ENGERSGOUW.

Generatie XXXIII
 
4429185060
Liudolf van HASEGOUW.
Gehuwd met
4429185061
Altburg van GRAINGOUW.
Uit dit huwelijk:
Godschalk I (zie 2214592530).

4429185064
Hermann Pusillus van BLIESGAU, geboren circa 0935, overleden circa 0996.
Gehuwd met
4429185065
Hedwig van DILLINGEN (Heylwig), geboren circa 930, overleden circa 990.
Uit dit huwelijk:

4429185066
Otto II van SAKSEN

Otto II van SAKSEN

Otto II van SAKSEN (Otto de Rode), keizer, geboren circa 0955 te Saksen, Duitsland, overleden op 07‑12‑0983 te Rome, Italië, begraven te St-Pietersbasiliek, Vaticaanstad. Uit Wikipedia:
Otto was de zoon van keizer Otto de Grote, de meest succesvolle vorst sinds Karel de Grote, en diens tweede vrouw Adelheid van Italië. Otto werd opgevoed door zijn oom Bruno de Grote, aartsbisschop van Keulen, en zijn stiefbroer Willem, aartsbisschop van Mainz. Hierdoor had hij een goede opleiding en een belangstelling voor wetenschap en theologie. Om zijn opvolging te waarborgen liet Otto I zijn zoon Otto II al tijdens zijn leven kronen:
961: medekoning van Italië
962: medekoning van Duitsland
967: medekeizer
Op 14 april 972 huwde hij de Byzantijnse prinses Theophanu, nicht van keizer Johannes I Tzimiskes. Uit de huwelijksoorkonde van keizerin Theophanu blijkt dat hij haar daarbij als bruidsschat onder andere Walcheren, Wichelen en de Abdij van Nijvel schonk, naast gebieden en plaatsen in Duitsland en Italië; deze schenking werd later nog aanzienlijk uitgebreid. In 973 volgde Otto zijn vader na diens overlijden op als koning van Duitsland en Italië, en hertog van Saksen. Op eerste kerstdag van dat jaar werd hij te Rome opnieuw gekroond tot keizer.
 
De eerste periode van zijn regering gaf Otto prioriteit aan het verzekeren van zijn machtspositie in Duitsland en de conflicten met de buurstaten van Duitsland.
 
Allereerst werd Otto geconfronteerd met een opstand in Lotharingen die met Franse steun werd geleid door de broers Reinier IV van Henegouwen en Lambert I van Leuven. In eerste instantie wist hij de opstand nog te onderdrukken maar in 976 besloot Otto om na een onbesliste veldslag bij Bergen vrede te sluiten met de broers en hen weer de graafschappen van hun vader te geven.
 
In 974 kwam Otto in conflict met zijn neef Hendrik II van Beieren (bijgenaamd Heinrich der Zänker - de Ruziezoeker) toen Burchard III van Zwaben overleed. Hendrik was beloofd dat hij dan hertog van Zwaben zou worden maar Otto gaf de titel aan een andere neef: Otto I van Zwaben. De moeder van Hendrik, Judith van Beieren, organiseerde een samenzwering tegen de keizer, waaraan werd deelgenomen door bisschop Abraham van Freising, de hertog van Bohemen, Polen en verschillende leden van de clerus en de adel, die ontevreden waren over het beleid van de vorige keizer, Otto I de Grote. Het plan werd echter ontdekt en relatief gemakkelijk onderdrukt. In hetzelfde jaar konden Otto's troepen met succes een poging van Harald I van Denemarken om het Saksische juk af te werpen verijdelen. In 975 mislukte Otto's expeditie tegen Bohemen doordat er problemen in Beieren uitbraken, waardoor Bohemen en Polen praktisch onafhankelijk waren. Het volgende jaar dwong Otto Hendrik om te vluchten naar Bohemen. Otto gaf de hertogstitel van Beieren aan Otto van Zwaben, maar maakte Oostenrijk en Karinthië los van Beieren en maakte er zelfstandige hertogdommen van. Ook onttrok hij de zeggenschap over het bisdom van Praag aan het aartsbisdom van Regensburg en gaf het aan het aartsbisdom van Mainz. In 977 onderdrukte hij het verzet in Beieren, met de verovering van Passau, en Bohemen. In 979 sloot Otto ook vrede met Polen.
 
In 977 ving hij zijn neef Karel op, nadat hij uit Frankrijk was verbannen en maakte hem hertog van Neder-Lotharingen. Hierdoor kwam hij in conflict met koning Lotharius van Frankrijk die zelfs voor korte tijd Aken wist te bezetten. Otto kon met zijn gezin op tijd uit Aken ontsnappen maar Lothar kon waardevolle schatten buitmaken. In september 978 sloeg Otto terug. Met een leger van 30.000 man viel Otto de West-Frankische gebieden binnen. Hij ontmoette weinig weerstand, maar ziekte onder zijn troepen dwong hem een begonnen beleg van Parijs op te geven. Op de terugreis werd de achterhoede van zijn leger verslagen bij het oversteken van de Aisne. De bagagetrein met alle buit viel in handen van de West-Franken. Otto's moeder, Adelheid, die ook schoonmoeder van Lotharius was, brak met Otto en trok naar haar familie in Bourgondië. Tijdens een bespreking in 980 te Margut, sloot Otto vrede met Lotharius die afzag van Lotharingen. In ruil daarvoor erkende Otto II de rechten van de zoon van Lotharius, Lodewijk V van Frankrijk op de West-Frankische troon. Hugo Capet was bang dat hij het nieuwe doelwit van Otto zou worden en investeerde veel in de relaties met Otto (hij zou hem zelfs in Rome bezoeken), Theophanu en Adelheid.
 
Hij was beschermheer van de Sint-Baafsabdij te Gent en begunstigde deze, vermoedelijk ook vanwege de strategische ligging van de stad. Zijn naam leeft hierdoor nog voort in de Gentse Ottogracht.
 
Nadat al deze verwikkelingen vanuit zijn perspectief tot een redelijk goed einde waren gebracht voelde Otto II zich nu vrij om naar Italië te reizen. De regering van Duitsland vertrouwde hij toe aan de aartskanselier Willigis en aan hertog Bernhard I van Saksen. Hij werd op zijn reis vergezeld door zijn vrouw, zijn zoon, Otto van Beieren en Zwaben, de bisschoppen van Worms, Metz en Merseburg en tal van andere grafen en baronnen. Hij stak in het hedendaagse Zwitserland de Alpen over. In Pavia verzoende hij zich met zijn moeder, waarna hij in 980 de Kerst vierde in Ravenna.
 
Otto had de ambitie om orde te herstellen in het gehele vasteland van Italië en het te onderwerpen aan zijn koningschap. Hij begon met Rome, waar na het overlijden van zijn vader een anarchie was ontstaan. Paus Benedictus VI, die nog door zijn vader was gekozen, werd door de Romeinse burgerij gevangen gehouden in Castel Sant'Angelo, waar hij in 974 stierf. Zijn opvolger tegenpaus Bonifatius VII was naar Constantinopel gevlucht en Benedictus VII, de voormalige bisschop van Sutri, werd nu paus. Voorafgegaan door Benedictus VII trad Otto II op Paasdag plechtig Rome binnen. Otto hield in Rome een schitterend hof, dat werd bijgewoond door vorsten en edelen uit alle delen van West-Europa. Tijdens een feestmaal in het Vaticaan werden alle opstandige edelen uitgenodigd, er werd een lijst met namen voorgelezen en alle personen op de lijst werden door soldaten meegenomen en buiten gedood. Otto wordt daarom in Italië ook "de Bloedige" genoemd.
 
Na de dood van zijn Langobardische vazal, Pandulf, IJzerenhoofd in 981, was het zuiden van Italië een politieke en militaire lappendeken waar het Byzantijnse Rijk, de Saracenen en onafhankelijke vorsten van Langobardische herkomst elkaar voortdurend bevochten. Otto verkreeg uiteindelijk de erkenning van zijn gezag van alle Langobardische vorstendommen in Zuid-Italië onder de heerschappij van Manso I van Amalfi. In januari 982 marcheerden Duitse troepen naar de Byzantijnse gebieden en veroverden Bari en Tarente. Otto leed echter een zware nederlaag tegen de Saracenen in de slag van Crotone en moest zich terugtrekken naar het noorden.
 
Via Rome trok hij naar Verona. Op een rijksdag daar in juni 983, die voornamelijk door Noord-Italiaanse vorsten werd bijgewoond, liet hij zijn jonge zoon Otto III als koning van Duitsland bevestigen en bereidde hij een nieuwe campagne tegen de Saracenen voor. Hij sloot een akkoord met de Republiek Venetië, waarvan hij hard hulp nodig had na de nederlaag bij Crotone. In Rome bewerkstelligde Otto de uitverkiezing van Peter van Pavia als paus Johannes XIV.
 
Net toen het nieuws van een algemene opstand van de Slavische stammen aan de oostelijke grens van het Oost-Frankische rijk hem bereikte, stierf hij op 7 december 983 in zijn paleis in Rome - nog geen 30 jaar oud. Otto leed aan malaria en had zichzelf extra verzwakt door een veel te grote dosis van Aloë vera als laxeermiddel te nemen. Otto werd begraven in het atrium van Sint-Pietersbasiliek. Toen deze kerk werd herbouwd werden zijn resten overgebracht naar de crypte, waar zijn graf nog steeds is te zien.
Zoon van Otto I de GROTE (zie 8858370132) en Adelheid van ITALIë (de heilige) (zie 8858370133).
Gehuwd op 14‑04‑0972. De monnik Gerbert, de latere paus Sylvester, werd adviseur van keizer Otto de Grote en leraar van de jonge Otto.
Otto arrangeerde voor Otto junior een huwelijk met een oogverblindende Byzantijnse prinses. Gerbert was betrokken bij dit huwelijk. Gerbert was wiskundige, hij had in Spanje het getalstelsel van de moslims geleerd en introduceerde het tientallig stelsel in Europa, ter vervanging van de Romeinse cijfers, waarmme nauwelijks gerekend kon worden.
Echtgenote is
4429185067
Theophano van BYZANTIUM

Theophano van BYZANTIUM

Theophano van BYZANTIUM, Duits koningin/keizerin, geboren 0956‑0960. Er zijn geen Byzantijnse bronnen over Theophanu. In de huwelijksoorkonde wordt zij ook aangeduid als "clarissima", wat betekent dat zij tot een hoge kaste in Byzantium behoorde, de Lamprotatoi ("zeer roemrijken"). Alles wijst er op dat zij werd opgevoed aan het Byzantijnse hof. Overleden op 15‑06‑0991 te Nijmegen, begraven te Keulen. Al een jaar voor haar overlijden, in 990 had ze besloten dat ze begraven wilde worden in Keulen, in de Pantaleonskerk. Dat gebeurde ook. De heilige Pantaleimon kwam, net als zij, uit het oosten. Theophanu (Theophania - "door wie God zich toont") (Constantinopel, ca. 960 Nijmegen, 15 juni 991) was een Byzantijnse prinses, een (aangetrouwde) nicht van de Byzantijnse keizer Johannes I Tzimiskes. Op 14 april 972 huwde zij op ongeveer twaalfjarige leeftijd met keizer Otto II en werd zodoende keizerin van het Heilige Roomse Rijk. Na de dood van Otto II werd zij regentes voor haar zoon keizer Otto III. Dochter van Constantijn (zie 8858370134) en Sophia PHOKAS (zie 8858370135).
Uit dit huwelijk:
Sophia (Sophia van Gandersheim), non en abdis, geboren circa 0975, overleden op 27‑01‑1039. Zij werd opgevoed in de Abdij van Gandersheim waar haar tante Gerberga II abdis was; ze werd waarschijnlijk al non in 987 en was vanaf 1002 abdis van Gandersheim en vanaf 1012 ook abdis van Sticht Essen.
Adelheid (Adelheid van Qyedlinburg), non en abdis, geboren circa 0977, overleden op 14‑01‑1044. Zij werd in 995 non in de abdij van Quedlinburg (waar haar tante Mathilde absis was, zij werd ontvoerd door Hendrik II van Beieren (de twistzieke); in 999 werd zij abdis van Quedlinburg, in 1014 van Gernrode, in 1024 van Sticht Vreden en in 1039 van de Gandersheim.
Mathilde, geboren circa 0979 (zie 2214592533).
dochter, geboren 0979 te Reichswald. In 980, Otto II en Theophanu waren onderweg van Aken naar Nijmegen, werden er - te vroeg - nog twee kinderen geboren. Een meisje dat al vrij snel overleed en waarvan de naam (daarom) onbekend is en Otto, de latere Otto III. De bevalling had vermoedelijk plaats in het Reichswald, in de buurt van Groesbeek, al zijn er ook historici die haar in Gennep en Plasmolen situeren. Overleden 0980.
Otto III, Rooms keizer, geboren 0980 te Reichswald, Duitsland. In 980, Otto II en Theophanu waren onderweg van Aken naar Nijmegen, werden er - te vroeg - nog twee kinderen geboren. Een meisje dat al vrij snel overleed en waarvan de naam (daarom) onbekend is en Otto, de latere Otto III. De bevalling had vermoedelijk plaats in het Reichswald, in de buurt van Groesbeek, al zijn er ook historici die haar in Gennep en Plasmolen situeren. Overleden op 23‑01‑1002 te Castel Paterno, Faleria, Italië. Hij werd tot keizer gekroond op 21 mei 996.

4429185068
Heribert KINZIGGOUW, Graaf van Wetterau, geboren 925‑930, overleden 992‑997.
Gehuwd met
4429185069
Irmentrud van GELRE (Ermentrude van Avengau), Gravin van Kinzinggouw, geboren 0957, overleden 1020, dochter van Megingoz van GELRE (de Bruine, van Avengau) (zie 8858370138) en Gerberga van PALTS‑LOTHARINGEN (van Gulik) (zie 8858370139).
Uit dit huwelijk:
Otto I van HAMMERSTEIN (Otto I van Zutphen), geboren circa 975 (zie 2214592534).
Gebhard ENGERSGOUW, Graaf van Engersgouw, geboren 965‑970, overleden op 08‑11‑1016.
Irmentrud GLEBERG. Erfgenaam van Gleiberg.
Gehuwd 985 met Frederik I van LUXEMBURG.
Gerberga KINZIGOUW, geboren 960‑970, overleden 1036.
Gehuwd voor 1003 met Hendrik van SCHWEINFURT.
Jutta.
Gehuwd met Gerard I van TEISTERBAND 'FLAMENS'.

Generatie XXXIV
 
8858370132
Otto I de GROTE, Loning en Keizer van het heilige roomse rijk, geboren op 23‑11‑0912 te Wallhausen, Duitsland, overleden op 07‑05‑0973 te Kaiserpfalz, Duitsland op 60-jarige leeftijd. Otto I de Grote (Wallhausen (Saksen-Anhalt), 23 november 912 - Memleben, 7 mei 973), zoon van Hendrik de Vogelaar en Mathilde van Ringelheim, was hertog van Saksen, koning van Duitsland, koning van Italië, en "de eerste van de Duitse vorsten die keizer van Italië werd genoemd" volgens Arnulf van Milaan.[1] Nadat Karel de Grote in 800 tot keizer werd gekroond, werd zijn rijk in de 9e eeuw onder zijn kleinzonen verdeeld en was de keizerlijke titel, na de moord op Berengarius I van Friuli in 924, bijna veertig jaar vacant, voordat Otto de Grote op 2 februari 962 tot keizer werd gekroond van wat later het Heilige Roomse Rijk zou worden genoemd. Hij stamde uit het geslacht van de Liudolfingen, meestal Ottonen genoemd.
In 929 trad Otto in het huwelijk met de Engelse prinses Editha van Wessex, de halfzuster van de Angelsaksische koning Æthelstan. Bij deze gelegenheid schonk hij haar Maagdenburg als morgengave (bruidsschat). In 936 volgde Otto zijn vader op als koning van de Duitsers en hertog van Saksen.
Hij regelde dat zijn kroning gehouden werd in Aken, de voormalige hoofdstad van Karel de Grote. Daar werd hij op 7 augustus van dat jaar door aartsbisschop Hildebert van Mainz, de primaat van de Duitse kerk, tot koning gekroond in de Aula Regia van het Akense koningspalts. Volgens de Saksische historicus Widukind van Corvey werd hij op zijn kroningsbanket bediend door de vier andere hertogen van het rijk: de hertogen van Franken, Zwaben, Beieren en Lotharingen. Arnulf I van Beieren trad op als maarschalk (of opperstalmeester), Herman I van Zwaben als hoofdschenker, Everhard III van Franken als logistiek hoofd van de huishouding (of seneschalk), en Giselbert II van Maasgouw als kamerheer.
Vanaf het begin van zijn regeerperiode positioneerde hij zich als de opvolger van Karel de Grote, wiens directe lijn van opvolgers in Oost-Frankenland in 911 was uitgestorven. De Duitse kerk, met zijn machtige bisschoppen en abten, stond achter hem. Vanuit zijn machtspositie slaagde Otto er in de kerk voor zijn eigen agenda in te zetten. Hij gebruikte deze enige verenigende institutie in de Duitse landen om een instelling van theocratische keizerlijke macht te vestigen. De kerk bood rijkdom, militaire mankracht en haar monopolie in geletterdheid. In ruil bood de keizer de kerk bescherming tegen de edelen, de belofte van dotaties, en een weg naar de macht als zijn ministerialen.
De politiek van Otto was een radicale breuk met de politiek van zijn vader die zich naar de hertogen toe altijd als eerste onder zijn gelijken had opgesteld. Otto behandelde de hertogen duidelijk als zijn ondergeschikten. Otto maakte nog meer vijanden door het erfdeel van zijn halfbroer Thankmar en zijn broer Hendrik sterk te reduceren. Ook passeerde hij de zonen van de hoge Saksische adel bij benoemingen, ten gunste van zijn medestanders.
Otto had een grote meevaller toen in 938 in Rammelsberg in Saksen een rijke zilverader werd ontdekt. De opbrengsten stelden Otto in staat om tijdens zijn regeerperiode zijn militaire activiteiten te financieren; de vondst was zelfs zo groot dat een groot deel van het in Europa gebruikte zilver, koper en lood zo'n tweehonderd jaar uit Saksen kwam.
 
De monnik (en wiskundige) Gerbert werd adviseur van keizer Otto de Grote en leraar van de jonge Otto.
Otto senior arrangeerde voor Otto junior een huwelijk met een oogverblindende Byzantijnse prinses.
Tussen de feestelijkheden door, die drie dagen duurden, ontmoette Gerbert de aartsdiaken van Reims, een eregast. Die ontmoeting leidde ertoe dat Gerbert uiteindelijk paus werd, paus Sylvester.
Zoon van Hendrik de VOGELAAR (Henricus Auceps) (zie 17716740264) en Mathilde van RINGELHEIM (zie 17716740265).
Gehuwd (1) 0929 met Editha van WESSEX, geboren 0910, overleden op 21‑01‑0945.
Gehuwd (2) circa 0955 met Adelheid van ITALIë (de heilige) (zie 8858370133).
Uit het eerste huwelijk:
Liutgard van SAKSEN, hertog van Lotharingen, geboren 0931 te Maagdenburg, Duitsland, overleden op 18‑11‑0953 te Augsburg, Duitsland.
Gehuwd met Koenraad de RODE, geboren circa 0922.
Uit het tweede huwelijk:
Hendrik, geboren circa 0952, overleden circa 0954.
Bruno, geboren 0953, overleden 8‑9‑0957.
Mathilde, geboren 0954, overleden 0999.
Otto II van SAKSEN (Otto de Rode), geboren circa 0955 te Saksen, Duitsland (zie 4429185066).
8858370133
Adelheid van ITALIë (de heilige), geboren 0931 te Orbe, Zwitserland, overleden op 10‑12‑0999 te Selz, Frankrijk, dochter van Rudolf II van BOURGONDIë (zie 17716740266) en Bertha van ZWABEN (zie 17716740267).
Uit dit huwelijk: 4 kinderen (zie onder 8858370132).

Eerste blad    Vorig blad    Blad 36 van 37 bladen Volgend blad    Laatste blad

Homepage | E-mail